EVEN NAAR BELGIË
maandag dv. weerom
De Zwijger leest
Willem van Oranje las ridderromans. Zo blijkt nu een deel van zijn bibliotheek in Berlijn is aangetroffen.
Er zit een deel bij uit de 24-delige reeks over Amadis de Gaule, de hoofse avonturen van een koningszoon. In de stijl van de koning Arthur-verhalen.
Wat staat er in die romans? Bijvoorbeeld scènes waarin als vrouwelijke muzikanten verklede minnaars op die manier anders onbereikbare edelvrouwen benaderen. Maar, al zingend kunnen ze zich dan toch, in de teksten van liedjes, aan hun beminden laten kennen.
Identiteit is in de Renaissance een belangrijk onderwerp. Waarop berust hoge komaf eigenlijk? Wat is de rol van de vrouw en waarom?
En ridderlijke idealen met de Zwijger in verband brengen lijkt niet zo vreemd.
Een idealist was hij, zover ik weet onomstreden, een echte romanticus.
Uit een scriptie van Astrid van Esdonk (2005) aan de Leidse universiteit:
De liefde tussen de ridder en zijn geliefde is zowel geestelijk als lichamelijk. Een goed voorbeeld van de geestelijke liefde is te vinden in hoofdstuk vierentwintig van boek I.
Agraies, de neef van Amadis, komt na lange tijd terug aan het hof van koning Liduwaert en hij treft daar ook zijn geliefde aan, Olinde. Hun weerzien wordt als volgt beschreven: Olinde die groetten hem seer minlicken, meer metter herten dan metten wesen, latende die reden regeren den wille, dwelck seer her om doen is, tensy dat daer
groote discretie tusschen beyden is.
Ook over de lichamelijke kant van de liefde wordt geschreven. In hoofdstuk zestien van het eerste boek redt Galaor een jonkvrouw uit de kelder en zij worden verliefd. De beschrijving van hun verdere belevenissen die nacht luidt: Met desen amoureuse woorden ende met die heussche manieren van Galaor ende van haer (die welch by aventuren al een gepeys hadden) stelden sy te wercke het ghene dat van geenen noode en is te schrijven.
Een ander opvallend voorbeeld is de passage waarin Amadis en Oriane voor het eerst samen slapen, waarover geschreven wordt:
soo wert daer die schoonste maecht vander wereldt een vrouwe ghemaeckt, peysende daer mede haer hittighe begheerte te vercoelen.
Wanneer de ridders in Amadis op reis gaan, zullen zij nooit zonder tenminste één gevecht te leveren hun doel bereiken. Er is voor de ridder maar één manier om zijn moed te tonen en glorie in zijn leven te behalen en dat is door het gevecht.
Gelukkige doden (1)
Ik kom ze tegen, op een straathoek of in de tram. Soms zit er iemand naast me op een parkbank. Een andere keer ben ik in een kamer.
Ik zit bij Willem Frederik Hermans in Brussel. 'Het is niet leuk hoor, om 73 te worden,' is het eerste wat hij zegt.
We zitten op een oud bruinleren bankstel, door katten afgekrabd, aan een glazen rooktafel tussen een samenscholing van niet-nieuwe meubelen. Het gesprek verloopt eerst stroef. Zijn ondertoon is 'zo ben ik nu eenmaal, u zult het wel verkeerd begrijpen, maar zo ben ik.'
Hij laat me een schuldbekentenis tekenen voor het afgesproken bedrag, op een vierkant papiertje dat geklemd zit onder een koperen schelp. Ik herken 'een pecten, kleiner dan een Sint Jakobsschelp', het gidsfossiel uit 'De God Denkbaar'.
We krijgen we het over 'De wonderen van het Heelal', een tweedelig werk met foto's van radiolaren en vloeipapier tussen de kleurplaten dat ik als kind mocht inzien, hij ook. We blijken 'De wonderen' te delen. Hij heeft ze nog. Ik ruik aan het boek.
'Ja, dat is mooi hè!'
'Erg mooi, meneer Hermans.'
Dan krijg ik een cadeautje. Een zelfgemaakt dichtbundeltje. Versjes, inderhaast getikt op een oude machine, flauwekul. Want het gaat, zegt hij, niet om de inhoud maar om het procédé.
Ik lees:
VOOR KINDEREN
O, wat had die beer een honger.
O, wat had die beer een dorst
Gauw een glaasje limonade
En een boterham met worst
'Ja er moet toch iéts staan,' zegt Hermans.
Hij heeft een vloeistofduplicator gevonden op de rommelmarkt, vertelt hij, het Vossenplein, en die weer aan de praat gekregen. En daarme heeft hij zelf dit boekje gemaakt.
Het gaat niet om de tekst, het gaat om het boekje. Met stempels ook.
Het boekje met de roze, paarse en purperen letters ruikt naar drank.
'Alcoholdruk,' zeg ik, met tranen in mijn ogen, 'wat prachtig. Ja, ik ken het. Ik kreeg van die die velletjes op de lagere school bij Natuurlijke Historie.'
'Ja, dat is mooi hè.'
Konijn
Jozef Deleu, dichter en taaldiplomaat stelt twee keer per jaar in z'n eentje een poëzietijdschrift in boekvorm samen dat 'Het liegend konijn heet', naar het mooiste prozastuk van Paul van Ostaijen.
Dat stukje van Van Ostaijen staat altijd op het achteromslag afgedrukt. En het is zo goed dat je onwillekeurig alle afgedrukte gedichten eraan gaat afmeten. Wie heeft ditmaal het konijn benaderd? Barnas? Koenegracht? Moeyaert?
H.C. ten Berge wint, met de eerste van 'Vier observaties' (voor Frans Budé)
Een fluitende pad in een wielspoor
vol water
Een hele klim
maar dan is hij monter op weg
naar een volgend gevaar
Na lezing van het aprilnummer 2006, een memo aan Jozef Deleu, enig redacteur van 'Het liegend konijn'.
Wat gaat mis in gedichten?
Eerst denkbeelden,
voor de hand liggend, en omhelsd als vondst.
Dan het teveel, veel kan weg.
En averechtse woorden. De lezer passeert,
het gedicht raakt uit zicht.
Tot slot wat ontbreekt.
Leegte strekt zich uit.
Hier had uw gedicht kunnen staan!
Het konijn.
Lang heeft het konijn de lach gezocht. Zo zielsgraag had het konijn gekend de luide lach. Waarom het de lach zo graag had gekend, weet ik niet. Zo iets kan men niet weten. Het konijn heeft de lach niet gevonden. Maar het was de lach zeer nabij. Dat het het geheim van de lach zo nabij was, weet het konijn niet. Vlak vóór de lach hield de kennis van het konijn halt. Daar vond het in plaats van de lach die het zocht, de verwondering die het niet zocht. Dit nu is iets wat buiten het begrijpen van het konijn valt: hoe je in plaats van het gezochte iets anders vindt. Daarom verwondert het konijn zich zeer om de verwondering. En daar het met deze verwondering geen blijf weet, toont het konijn zich voortdurend verwonderd, gans onbeholpen. Het weet zelf niet hoe verwonderd het is. Uit zijn verwondering groeide zijn nieuwsgierigheid. Doch van huize uit droeg het de vrees mee. Nu weet het konijn niet goed welke zelf-raad te volgen: óf de ras-vrees óf de nieuwsgierigheid die, in de wereld van het konijn, alreeds een beschavingsverschijnsel is. Alleen waar licht gloeit in de nacht wordt de beschaving te sterk en werpt het konijn zich roekeloos in zijn ondergang. Het duurt nog wel een tijd alvoor het konijn zal geleerd hebben in dit geval te luisteren naar de stem van het ras, van de vrees. Dan komt het konijn tot het nuanceren zijner nieuwsgierigheid.
Dit echter geschiedt nog zo spoedig niet. De stropers met de lichtbak mogen gerust zijn. Het konijn leert slecht.
uit: Paul van Ostaijen: "Diergaarde voor kinderen van nu." (1926)
Sloop in Berlijn
Gerrit Jan Kleinrensink bericht:
'Deze webcam in het centrum van Berlijn is gericht op het voormalig parlementsgebouw van de DDR, het Palast der Republik. Het wordt nu afgebroken en dat kun je op deze webcam volgen. Het gaat langzaam als je elke dag kijkt, maar als je maar eens per veertien dagen kijkt is het ook niet goed omdat je dan niet meer weet hoe ver ze bij je vorige bezoek waren.
Het zicht op details is het beste als je de webcamera stilzet.
De sloop der dingen is het. Op deze plaats stond eens het paleis van de familie Hohenzollern. De ruïne die er na de oorlog nog stond werd begin jaren vijftig opgeruimd - een symbolisch gebaar - en nu moet daar het oude paleis weer terugkomen, zonder een keizer. Niet om de webcam. Als ik er woonde zou ik elke dag op de fiets wel even gaan kijken naar het verzetten van de bakens van de geschiedenis.'
NB. 'De sloop der dingen' is de titel van een roman die Willem Brakman in 2000 publiceerde. Gerrit Jan Kleinrensink is zijn biograaf.
Reve en Lenferink
Op 31 augustus 1974 was er in Amsterdam een feest ten huize van Ernstjan Engels, toen de nieuwe vriend van Gerard Kornelis van het Reve. VPRO-verslaggever Jan Lenferink was erbij. Zijn opnamen werden de maandag erop uitgezonden in het programma VPRO-maandag.
Hoe komen die opnamen nu opeens boven water?
Het VPRO-radioarchief wordt dezer maanden - eindelijk - op orde gebracht door Nienke Feis.
Eigenlijk onbegonnen werk. Er zijn duizenden ongeordende banden uit de jaren 1960 tot 2000. Met vaak niet meer dan slordig genoteerde titels op de dozen.
Verdere informatie zou moeten komen van de bon die ooit in zo'n band stak en die verwees naar een draai- of logboek. Helaas, de ordners met draaiboeken én de bonnen zijn vaak voor altijd zoek. Zodat Nienke moet gaan luisteren en navraag doen bij mensen die 'erbij' waren.
Gelukkkig heeft ze een goed gehoor voor stemmen en een scherp oog voor handschriften.
Torentjes (5)
Piet Schreuders: 'Hierbij een torentje, geschilderd door Theo Voorzaat.
Deze ansichtkaart (uitg. erven Thomas Rap, Baarn) hangt op een prikbord naast mijn werktafel.
De relevantie van dit beeld is voor mij, dat het ongeveer het
uitzicht was vanuit mijn eerste kamer in Amsterdam, Weteringschans 111. Het gebouw met het torentje is daar tegenover, hoek Weteringschans/Weteringstraat. De firma Carl Denig was/is er gevestigd.
Ik heb nooit torentjes gefotografeerd, wel blinde gevels met blinde vensters. Ik wilde daar ooit een artikel over schrijven in het blad "Binnenstad", maar dat is er nooit van gekomen. Ik fotografeerde lang geleden mooie blinde gevels op de hoekhuizen van de Celebesstraat, waarvan de meeste huizen inmiddels gemoderniseerd zijn.
Nadja Cohen: 'Tijdens mijn studie kwam ik regelmatig langs dit torentje op het Spui in Amsterdam. Ik verbeeldde me het torentje, niet daar zo lelijk, maar tussen zelfsoortige gebouwen in het groen. Heuvelig. En ik met lange vlechten en wapperende rokken in dat torentje. En dat de allerleukste jongens van mijn studie dan ook langs dat torentje en mijn vlechten als touwladder zouden interpreteren. Maar op het moment dat ze dan voorbij halverwege waren, ik met emmertjes pek, de nietleukgenoegen zou wegwerpen (geen enkele heeft ooit het torentje zelf bereikt).'
GRAS
Ofwel Gerrit Rietveld Academie Schrijven.
Het eindexamen 2006 brengt een krantje waarin de tien examinandi zich laten zien en lezen.
Foto's, tekeningen en tekst.
Donderdag komt het uit.
Een vormgeving die aandacht afdwingt, met veel wit.
Annemieke Gerrist dicht:
'Door fouten in de wind
viel de zomer neer.'
Het gras is kort geschoren.
Klaske Oenema schrijft: 'Mijn moeder en God zijn lange tijd dezelfde geweest. Daarom heb ik het gesprek met hen op een gegeven moment stopgezet. Nu zeg ik soms een gebed en probeer hen los van elkaar te zien.'
Niets en niemand zegt 'kijk mij eens'.
Bas Fontein schrijft: 'Ik heb een foto van mijn opa. Ik was toen een jaar of vier. We lopen hand in hand op een bospad en we hebben allebei spierwit haar.'
Niets en niemand is 'diep'.
Els Moors dicht:
'daar staat het kind dat krimpt'
Er wordt geregistreerd, heel punctueel.
Nana Kreft dicht:
'die menschen in dem flugzeug sind noch kleiner als das flugzeug selbst'
Constaterend, integer.
Roos van Lierop noteert:
'De bretels van de apotheker
hangen in de kledingkast'
Komkommer
Dit verhaaltje draag ik mijn hele leven al met me mee. Het heet 'Van een komkommer' en is geschreven door M.Schilthuis-Brugsma en uitgegeven bij G.B. Van Goor in de jaren '20.
Mijn moeder las het me voor. Je hebt komkommers, augurken en slakken, zo zit de wereld in mekaar, begreep ik.
Daar heb je nou dien komkommer. . . . die wil op reis!
"Iedereen gaat 's zomers op reis," vertelt hij aan de augurk, "dat hoort er zoo bij tegenwoordig!"
"Zoo?" zegt de augurk en knipoogt eens tegen de zon. "Ja," zucht de komkommer, "'t is een heele drukte om weg te komen, dat verzeker ik je!"
"Drukte?" vraagt de augurk verbaasd, "waarom drukte?"
"Begrijp je dat niet? met pakken natuurlijk, koffers pakken!"
"0 zoo, en wat pak je daar dan in?"
Nu wordt de komkommer verlegen. Eigenlijk weet hij niet recht, wat er al zoo in een koffer gepakt wordt. "Nu, van allerlei, van allerlei," antwoordt hij.
"Kousen en zakdoeken," zegt een slak, die naast de augurk aan een blaadje ligt te sabbelen.
"Ja juist, kousen en zakdoeken," herhaalt de komkommer, dankbaar dat de slak hem zoo te hulp komt.
"En een spoorboekje, om de treinen in op te zoeken," gaat de slak bedaard voort.
"Ja, ja, een spoorboekje!" juicht de komkommer.
"Och zoo," mompelt de augurk en knipoogt alweer tegen de
zon, alsof ze samen een geheimpje hebben.
Nu gaat de komkommer naar den winkel, om inkoopen te doen. Als hij terug komt, herkennen zijn vrienden hem haast niet meer, zoo prachtig is hij uitgedost. Hij heeft een boord om en een vuurroode das, en op zijn gladde gele bolletje staat heel parmantig een pet! Ja, als je op reis gaat, moet je netjes zijn!
De augurk en de slak zijn een en al bewondering.
"Kijk," zegt de komkommer, en hij laat hun vol trots een mooien bruinen handkoffer en een tasch zien.
In den koffer liggen netjes opgevouwen, de kousen en de
zakdoeken. Bovenop ligt het spoorboekje.
"Keurig, keurig," zegt de slak, "je bent een piekfijne mijnheer zoo!"
"Wat zit er in de andere tasch?" vraagt de augurk. "Nog niets," antwoordt de komkommer wat verlegen. "Dan kun je dien wel thuislaten," meent de augurk, "wat hoef je dien overal mee te sleepen!"
"Ik neem hem toch maar liever mee," zegt de komkommer, "je kunt nooit weten, hoe hij te pas komt. En dan staat 't ook veel netter met twee koffers te reizen."
Weer knipoogt de augurk vergenoegd tegen de zon, alsof ze zeggen wil: Hoor je hem, dien ijdeltuit?"
Nu heeft de komkommer opeens erge haast om weg te komen. Hij kon den trein eens missen! Dus neemt hij afscheid en wandelt statig weg met de beide koffers.
Net als hij om den hoek verdwijnen zal, steekt de augurk haar groene bolletje uit de kas en roept: "Zeg, komkommer, je hebt je tandenborstel toch niet vergeten?"
Met een schok staat de komkommer stil. Wat - wat zeg je?" stamelt hij.
"Of je je tandenborstel niet vergeten hebt," herhaalt de augurk.
"Mijn ? mijn tandenborstel? Ik heb heelemaal geen tandenborstel!"
"Wat een vent!" zegt de augurk minachtend, "die verbeeldt zich, dat hij als een deftige meneer op reis gaat en heeft niet eens een tandenborstel! Dacht je, dat ze je in de hotels binnenlieten zonder tandenborstel? Geen sprake van, mannetje!"
"Had dat toch eerder gezegd!" jammert de komkommer en gaat heelemaal verslagen op het muurtje van de kas zitten. "Nu is het te laat! 0, wat moet ik doen, wat moet ik doen! Nu kan ik niet op reis gaan!"
En als de komkommer dat zegt, barst hij in snikken uit! Dikke tranen rollen over zijn gele wangen, langs zijn prachtigen boord en zijn roode das. En van dien tranenstroom wordt de komkommer zoo week en zacht, dat hij zich niet langer op het muurtje overeind kan houden en met koffers en al naar beneden tuimelt, waar hij in twee stukken terecht komt.
"Die arme komkommer," mompelt de slak medelijdend..
Maar de augurk zegt: "'t Is zijn eigen schuld!" en snuit onverschillig zijn neus.
"Je hebt geen hart," zegt de slak en kruipt langzaam verder, naar een nieuw blaadje.
Estetiek van bovenleiding
Naar Antwerpen. Tanken bij de grens. En kijken naar de Hoge Snelheids Lijn. Bijna klaar. Er zijn op het tracé mooie probleemoplossingen, elegante, bij 170 tunnels en bruggen vanaf Amsterdam. Bewaker van de stilistische eenheid is de architect Paul Wintermans. Hij heeft een politieke en planologische warboel plus het werk van tientallen ontwerpers gedresseerd tot wat bijna één concept lijkt.
Daar zat ik stil, keek naar de ranke bovenleiding, aan weerszijden omhoog gehouden door wat lijkt op de pookjes waarmee de tandarts je gebit inspecteert. Wie heeft deze constructie toch bedacht? Hij is zo sierlijk. Zoveel mooier dan de plompe portalen die je verderop langs de weg naar Antwerpen ziet, op het Belgische deel.
En dan het massieve, Albert Speer-achtige beton waarin de trein in Vlaanderen zit ingepakt. Lelijk en slordig, hier en daar staan de betonplaten nog ongelijk ook.
In België hoorde ik al spreken van de TGV als Trein met Grote Vaart, het klassiek Belgisch vertalen (van oudsher het zoveel mogelijk behouden van afkortingen, wat tweetalig drukwerk en opschriften goedkoper maakt maar wel vaak koddig Nederlands oplevert omdat het in Brussel gebeurt).
Nu het over Antwerpen gaat. Bart Moeyaert is er sinds januari stadsdichter.
Na de schitterende Antwerpse stadsdichten van Ramsey Nasr vorig jaar bereikt ook hij een vergeleken met Nederland - waar het vaderlands-, stads- en provinciedichten vooral rijmelarij en rampspoed brengt - ongekend niveau. Lees ze op zijn site.
Torentjes (4)
De Haagse woonboot van Mat Wijn ligt aan de Conradkade en ziet uit op meerdere torentjes aan de Regentesselaan: 'Nummer 15 kan ik 's winters aan de overkant rechts achter de brug over de Laan van Meerdevoort vanuit mijn woonkamerraam bewonderen (door de lage ligging van de boot is het torentje nu op deze langste dag verdwenen achter groene bomen). Inderdaad heb ik er nog nooit iemand in aangetroffen.'
Hij eindigt met 'Ik hou je op de hoogte!'
Torentjes zijn veelvoudig. Ze reiken tot diep in het onbewuste.
Er zijn mannelijke torens, zoals die van Babel, hemelbestormend en daardoor spraakverwarrend.
En vrouwelijke, zoals die van de heilige Barbara, altijd met het torentje afgebeeld waarin ze door haar vader werd opgesloten.
Het torentje, een folly, vol hardnekkige herinneringen aan ridder en jonkvrouw. Ileen Montijn maakte foto's in Haarlem dat ervan wemelt: 'Een in de Kruisweg is een beetje fopperij: van de ene kant een torentje, maar als je er voorbij bent, loopt het zo door in het gebouw.'
En ze vraagt welke torentjes nu eigenlijk meetellen in dit spel.
Alleen die op woonhuizen? Of ook de geheimenis op openbare gebouwen?
Ik neig ertoe, want ik ging school op een gymnasium (Haganum, Den Haag) met een toren waaraan verhalen (kervingen van initialen in hanenbalken) verbonden waren. De sleutelscene in de film 'Feest' (1964) van oudleerling Paul Verhoeven speelt zich - niet toevallig -daarboven af.
Wie heeft de sleutel van zo'n toren?
De concierge.
'Hij drinkt, geen probleem.'
Wat is daar te zien?
Ga kijken.
('t vervolgt)
God en zijn stagiaire
Als een hofauto een vaantje voert zit er een vorstelijk persoon in, anders alleen een chauffeur. Als op paleis Soestdijk de driekleur wapperde zeiden ze in Soest 'de koningin is thuis'.
'Wie kort voor de kust langs Barletta vaart kan op een mooie lentedag boven de groene heuvels van Apulië een koepel van gele zij zachtjes zien bollen in hetzelfde briesje dat u, gelukkige schipper, over de golven doet stuiven. De lui weten dat de keizer op Castel del Monte vertoeft.'
Zo begint het hoofdstuk 'De gesprekken op Castel del Monte' in de postuum verschenen roman de ''De drie bedriegers, Mozes, Jezus en Mohammed' van Jan Pieter Guépin. En waarachtig op het omslag van het boek zie je over het binnenplein van het kasteel een geelzijden doek neerhangen.
Het Castel del Monte dat de Hohenstaufenkeizer Frederik II, de hoofdfiguur in dit verhaal, liet bouwen in de vorm van een kroon.
Het lijkt wel of het boek slecht begrepen wordt zoals het de schrijver tijdens zijn leven zo vaak overkwam.
Je moet ook geen grote roman publiceren kort na je dood, zou Guépin zeggen, dan raken de genres In Memoriam en Recensie hopeloos verstrikt. Hij heeft dan ook al zijn best gedaan het boek op tijd af te krijgen. Het lukte niet. Het exemplaar dat bij zijn begrafenis door redacteur Jan Kuijper op de kist werd neergelaten was een dummy.
Lees het, laat je niet van de wijs brengen door recensenten als Elsbeth Etty die in de NRC schreef: '...verwacht geen Dan Brown-story, daarvoor blijft Guépin toch teveel een geleerde.'
Goddank, 'De drie bedriegers' is geen Da Vinci Code. Wat wel? Een boek vol sex, geweld, poëzie, humor en wetenschap.
En er is geen woord aan gelogen.
Welke geleerde treedt in zijn eigen werk op als God, die het gymnasiummeisje Annet als een stagiaire rondleidt door zijn schepping?
Nee, dan August Hans den Boef. Zie hiernaast.
En dan? Is er tijd om te lezen?
Schipperszoon
Frank Antonie van Alphen is zonder veel ophef bezig met een groot project, namelijk de 'kleine geschiedenis' van de Nederlandse binnenvaart.
Dat kwam ik te weten toen ik in Nijmegen een kijkje nam op zijn werkplek (maandag 26 juni om 22.00 te horen in De Avonden).
Dit najaar verschijnt zijn 'kortverhalenboek'.
Opgegroeid aan boord van een 'Dortmunder' die zijn naam droeg, de Frankie-A., is hij de laatste van een roemrucht schippersgeslacht.
Frank vaart niet meer, hij zingt. In een groep die Oerbek heet, een naam die klopt met zijn boven de binnenwateren gestaalde stemgeluid. Hij klinkt als Beefheart of Howlin' Wolf. Frank Antonie kent de muziekgeschiedenis, hij weet van blues.
Daarnaast schrijft hij. Hij maakt de vaste rubriek 'Onderstroom' in de Binnenvaartkrant en er komen steeds meer verhalen los. De Frankie A. is verkocht. En de schipperszoon houdt zich behalve met zingen (en drummen, in de groep Mummy's a tree) bezig met de oral history van zijn schippersfamilie.
Zoveel verhalen (zie hiernaast). Eerst wilde hij zijn ouders en grootouders het allemaal laten opschrijven, maar dat werd niks. Toen heeft Frank hun verhalen maar op bandjes opgenomen. En daarna bewerkt.
'De schipperswereld, heus, dat is een andere planeet. Je wordt altijd als een zigeuner aangekeken.'
Of hij nog wel eens droomt dat hij aan boord is?
'In de geest ben ik er elke dag.'
Torentjes (3)
Nora Schadee, die in het Haagse Statenkwartier opgroeide, heeft een groot aantal zinloze maar daardoor des te mooiere torentjes in het hoofd, maar noemt ook de Rotterdamse Heemraadssingel, waar er een stuk of vier zijn: 'zo klein dat je er nog niet eens een torenkamertje van kan maken (zoals Addy in de Couperus' Kleine Zielen aan de Kerkhoflaan heeft). Het enige wat in zo'n torenkamertje kan wonen is de geest van een heel dun meisje. De torentjes zijn voor mij alleen leuk als ze op of in een echt woonhuis zitten.'
Gerrit Jan Kleinrensink schrijft: "Veel huizen met zo'n torentje hebben ook één of meer blinde vensters, maar de regel 'waar een blind venster, daar een torentje' geldt veel minder." Kleinrensink verzamelde eens foto's van blinde vensters, en gaat ernaar op zoek in zijn ongearchiveerde dozen.
En dan de vraag wat doe je in zo'n torentje.
Annemieke Houben: 'Jaren geleden heb ik ze mij allemaal al gedachtelijk toegeeigend, omdat er toch nooit iemand in lijkt te zitten. (Nog nooit in mijn leven heb ik iemand in een torentje gezien.) Ik zou er altijd (áltijd) in lezen. Geen komen of weggaan in die torentjes (hoofden stoten, trappen afvallen, hortende luiken), nee; ik zou het torentje bestegen hebben zonder er erg in te hebben, er zouden zuiver leesmijmeringen zijn, met fauteuil en witte jurk en uitzicht opnemend via mijn oren.'
Arjen Lubach: 'Hierbij het torentje in Amsterdam waar ik de afgelopen jaren op uitkeek, terwijl ik schreef aan mijn debuutroman. (Het boek heet: ‘Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend’ en verschijnt bij Meulenhoff in augustus).'Mijn volgende boek hoop ik IN een torentje te voltooien, maar vooralsnog denk ik dat ik genoegen moet nemen met het uitzicht.'
Hierbij foto's. Stuur er meer naar boeken@vpro.nl
Glimlach
In de luwte van het voetbal herhaalt de NPS prachtige muziekprogramma’s. Eerder een portret van Howlin' Wolf. Vanavond het levensverhaal van Beach Boy Brian Wilson, die er van 1966 tot 2004, inclusief 30 jaar diepe depressie, over deed om zijn project 'Smile' af te maken. De uitgestelde geboorte van een glimlach. Tenslotte live uitgevoerd in Londen. Brian glimlachte en was genezen.
Wat was er in 1966 mis met het project Smile, dat hij met outsider Van Dyke Parks bekokstoofde? Wilson zegt het in de film heel duidelijk: de familie, zijn broers en zijn vader, wilden er niet aan. Te raar, en wat een onbegrijpelijk teksten.
De Beatles brachten het 'concept-album' Sgt. Pepper uit, en Smile, bedoeld als Brians tegenzet, verscheen nooit.
Sommige stukken eruit wel. Ik droeg ze al die jaren met me mee zoals 'Heroes and villains, maar ze zaten me nooit lekker.
Fay Lovsky, die broer Carl Wilson gekend heeft legde me bij diens dood in 1998 uit waar het van kwam, dat een beetje enge van het Beach Boys-geluid.
Wat er mis was? Het zelfde als bij de Everly Brothers. Zij noemt dat 'genetisch samenzang'. Broers en zusters kunnen stemmen hebben die zo dicht naast elkaar liggen dat hun harmonische samenzang je niet alleen bekoort maar ook pijn doet. Too close for comfort.
De Beach Boyd zonder Brian maakte ik één keer mee, ik denk in '72 in Amsterdam bij een perspartijtje. Luidruchtige, studentikoze mannen. Mike Love was de ergste. Carl, die de boel bij elkaar hield zweeg.
Brian overleefde de Beach Boys, zijn broers Carl en Dennis, en ook zijn geesteszieke, tirannieke vader. Hij bereikte, na lang verblijf in de onderwereld een andere, niet gezinsgebonden harmonie.
Natuurlijk, dat popperige, humorloze Californische hou je. Maar zelfs daaraan ontsnapt Brian Wilson, miraculeus.
Torentjes (2)
Jan van Griethuysen wijst op het 18de eeuwse prieel op de heuvel langs de Rijksstraatweg in Wassenaar. Adres: Rust en Vreugdlaan 1a. Een landmark. Maar niet echt een torentje.
Ileen Montijn schrijft: "De tijd tussen 1890 en 1930 was misschien wel een torentjes-'boom' (veel nouveaux-riches!). Ik moet meteen denken aan het volstrekt loze torentje boven de hoofdingang van het Bijenkorfgebouw aan het Damrak, dat precies zo tot stand is gekomen als jij beschrijft: directeur Arthur Isaac zag het eerste ontwerp van de architect, en wilde domweg een torentje daar. En natuurlijk kwam het er. In 1914 was het gebouw af. Het dubbelbollige torentje op die eerste Scheveningse villa lijkt trouwens wel heel erg op een duikersklok."
Dat laatste betwijfel ik. Ik zie er meer een Zwiebelturm in. Wat zou kunnen wijzen op een Duitse opdrachtgever.
De villa staat in de vork van de Antwerpsestraat en de Luiksestraat in het Belgisch Park in Scheveningen.
Later meer, over andere reacties en het waarom van het torentje
Alexandre Matieski?
In april was ik een paar dagen in Tournus aan de Saône (zie dit log van 17 mei jl.). De laatste avond, in het café naast de brug (maar hoe heette het? 'Des Sports'?), zat ik weer te staren naar de merkwaardige schilderijen die er aan alle wanden hingen. Een stuk of tien, een bescheiden expositie was het, maar nergens hing of lag een kaartje met uitleg.
Ik maakte foto's. Je verwacht ook geen schilderijen in een PMU-café (volkscafé's, te herkennen de aan de groenrode reclame en de gokbureautjes van de paardenraces, sponsor van de Groene Trui in Tour die wordt uitgereikt door tourmissen in rijlaarzen met jockeypetjes, een dagelijks hoogtepunt).
Er werd gebiljart, er werd gedronken, er werd buiten op de stoep wat gevochten.
Bij het afrekenen vroeg ik de barkeeper van wie die schilderijen toch waren. Van een 'Yugoslave' zei hij, of een 'Polonais'.
Hoe die heette?
Hij wist het niet zeker, maar schreef een naam voor me op een papiertje. Achteraf verkeerd, in elk geval onvindbaar op Google. Macieski is een bestaande Poolse naam, maar een Alexandre of Alexander of Alexandr vind ik niet.
Hij woonde in Tournus, een paar straatjes verderop, die polonais.
Ik ga terug, ik vind zijn schilderijen steeds mooier.
Ze doen me denken aan wat Kuifje-tekenaar Hergé maakte als hij 'moderne kunst' persifleerde.
Hergé wilde ooit kunstschilder worden. Dat zag je dan.
Torentjes (1)
Je ziet op villa's en gebouwen onbegrijpelijk veel, vaak slecht onderhouden, waarschijnlijk lekkende torentjes.
Al jaren kijk ik ernaar.
In m'n hoofd zit een reusachtige verzameling torentjes.
En ik denk dat ik de enige niet ben.
Die schijnbaar zinloze torentjes moeten wel gebouwd zijn door mensen met wat ik noem een torentjesfantasie.
Hoe ging dat?
Een architect kreeg een opdracht. Een adellijke dame zag het eerste ontwerp en zei 'dáár, daar wil ik een torentje'.
'Maar mevrouw, dat vergt veel onderhoud, en...'.
'Ik zei een torentje.'
'Zoals u wenst.'
De tijd is gekomen iets te ondernemen.
Bij deze maak ik een begin met het Nationaal Torentjes Archief.
De torentjesvrienden onder de lezers van dit log zijn van harte uitgenodigd hun foto's te sturen van torentjes.
boeken@vpro.nl
En dan?
We zien wel.
Torentjes, veel torentjes.
De geschiedenis van elk torentje wil ik kennen.
De erin opgesloten prinsessen wachten op ons.
Luister naar Stephan Sanders over 'zijn' torentje.
Geerten Meijsing en Plato
Geerten Meijsing is ontsnapt aan onze vermaaksindustrie. Hij leeft en werkt teruggetrokken in Syracuse, Sicilië. Zojuist verscheen een belangwekkend boek van hem over denken, schrijven en lezen, kortom over zijn geestelijk hebben en houden.
Schrijven en denken.
De wijze zwijgt, maar wat als hij gaat schrijven.
Het boek heet Stukwerk en bevat 'enigszins filosofische essays' (uitg. Balans). De vaderfiguur erin is Plato. Plato, de filosoof die de eerste echte schrijver werd.
Een sleutelstuk is 'De voertaal van het denken'. Over filosofie en literatuur.
Geerten Meijsing en Plato zijn door de jaren zo innig verstrengeld geraakt dat Geerten in Syracuse is gaan wonen, waar de antidemocraat Plato, die in Athene niet langer gewenst was, tot drie keer toe een koning-filosoof probeerde te installeren. Er kwamen rampen van.
Eerder publiceerde Geerten Meijsing zijn anti-Plato boek 'De ongeschreven leer'.
Maar er bleek meer aan Plato. Plato is niet zo eenduidig als het lijkt en veel meer dan de godfather van de Rooms-katholieke kerk. Je vind altijd weer een andere Plato.
Volgens Meijsing heeft Socrates nooit bestaan en is hij puur een uitvinding van Plato. Hij zal dat nog bewijzen, zegt hij.
Terwijl ik dit schrijf is hij alweer op weg naar huis in zijn klassieke Citroen CX.
Niets is bij hem zomaar. Als je in zijn Amsterdamse huis een glaasje limonade krijgt kun je kiezen, en dan krijg je de beste in z'n soort. Limonade met een verhaal. Zoals alles bij Geerten Meijsing. Hij rijdt het in 24 uur. Later meer. Oa. over zijn theorie van de verveling.
T.M.F.Steen (4)
Van: Piet Schreuders
Onderwerp: Steen (4)
Datum: zaterdag 17 juni 2006 11:31
Gistermiddag vertelde K. Schippers mij dat het boek van/over Steen al
een tijdje af is. Het manuscript heeft hij ca. 1994 ingeleverd bij
Uitgeverij De Harmonie. De Harmonie heeft het na een tijdje, om voor
Schippers onduidelijke redenen, weer aan hem teruggegeven. Het is dus
nu, nog steeds volgens Schippers, slechts een kwestie van "een paar
maanden" (tijd die nodig is om het pak papier terug te vinden in de
kast waarin hij het 12 jaar geleden heeft opgeborgen) alvorens het
boek in productie kan. Ik verheug me erop.
Piet
Triëst
'De bekentenissen van Zeno' en 'Een man wordt ouder' zijn samen met het boekje 'Ah, Triëst' van J.P.Hinrichs en Thijs Wierema (Lubberhuizen, 1993) voldoende reisgids.
Ik pakte ze er pas achteraf bij want ik reis lukraak. Zo stond ik opeens op de Piazza dell' Unitá temidden van de banken en gebouwen van scheepvaartverzekeringen in wat eens de enige havenstad van het oude Oostenrijk was. Het plein grenst direct aan zee, de zeewind, de bora, blaast zo de stad in.
Hier grenst Italië aan het oude Midden-Europa. De bouwstijlen mengen. Een onwezenlijke, onbegrijpelijke stad, volgens een lokale boekhandelaar ook voor wie er woont.
'Ik herinner me alles, Ik begrijp niets,' zegt Zeno.
Italo Svevo (ps. van Ettore Schmitz) kreeg als zakenman Engelse les van de jongere James Joyce. Ze raakten bevriend. Joyce begon een internationale campagne voor Svevo, die zonder succes al twee boeken in eigen beheer had gepubliceerd.
Hier schreef Joyce zijn verhaal 'The dead' dat hij direct voorlas aan het echtpaar Schmitz. Mevrouw Schmitz plukte een bos rozen voor hem.
Eigenlijk kwam ik voor het trammetje uit 1902, dat nog steeds vanuit het centrum naar Opicina op de berg rijdt. Het komt oa. voor in 'Een man wordt ouder'. Ook de tram die in Ulysses bergop naar het kerkhof rijdt zou uit Triëst stammen, niet uit Dublin. Zou kunnen, de tram naar Opicina gaat ook naar het kerkhof Sant' Anna.
En dan, Joyce ligt in Zürich begraven op een berg die met de tram bereikbaar is.
Joyce verbleef in Triëst van 1904 tot 1915 en in 1919 en 1920. Hier voltooide hij Dubliners en A Portrait of the Artist as a Young Man en begon hij Ulysses.
Zie over Triëst ook Geerten Meijsings net verschenen mooi geannoteerde bloemlezing 'Van Como tot Syracuse, een reis door Italië met de grootste schrijvers en dichters' (Athenaeum). Al is Triëst uitgerekend een van de weinige plaatsen waar Meijsing zelf nooit was.
Kanalen in de Povlakte
'Pavoiseren' betekent het feestelijk versieren van plezierboten, met bloemen en slingers. Het woord komt van de stad Pavia, even onder Milaan, aan de Ticino.
Over de pronkvaart in Italiaanse kanalen las ik voor het eerst bij Luigi Barzini. Zijn klassieke 'De Italianen' ('The Italians', 1964, in de Verenigde Staten geschreven) geeft zover ik weet nog steeds het beste beeld van land, volk en geschiedenis. Lees Barzini en je begrijpt waarom Berlusconi er kwam.
Al in de middeleeuwen liepen er vaarroutes door de Povlakte. De rivieren waren min of meer bevaarbaar en er werden al in de dertiende en veertiende eeuw kanalen gegraven, bijvoorbeeld tussen het Lago Maggiore en Milaan en van Milaan naar Pavia. Ingewikkeld, grote hoogteverschilen, veel sluizen.
De scheepvaart hield na de Tweede Wereldoorlog op, de kanalen zijn lang alleen nog gebruikt voor irrigatie en verwaarloosd.
Maar nu is er een plan dat het opnieuw mogelijk moet maken weer - toeristisch - te varen van Locarno, over het Lago Maggiore, via Milaan en Pavia, langs Cremona, Parma en Ferrara naar de lagune van Venetië. In 2003 is het aan de pers gepresenteerd. Journalisten werden rondgeleid langs de knelpunten.
Eentje ervan zag ik vorig jaar in het kanaal Milaan-Pavia, bij het Certosa.
Nog geen tekenen van activiteit.
Haring geeft licht
Nooit horen zeggen, na het afhappen van de eerste Nieuwe 'nee, die smaakt nergens naar'. Slechte haringjaren bestaan niet.
In mijn Haagse jeugd kwamen haringmannen met bakfietsen door de straat, waarop stond 'De gezonde apotheek' of 'Wees wijs eet haring van Gijs'. Ze hadden ook een 'roep'. Stratenver hoorde je er eentje aankomen die het 'De Hollandse Nieuwe' had versleten tot een loei, die klonk als 'De Nieuweheer'. Hij werd ook De Nieuwe Heer genoemd.
Het wonder van de haring staat mooi beschreven in 'De ringen van Saturnus' van W.G.Sebald. Vertaling nu nog uitverkocht, maar door toedoen van oa. Tommy Wieringa in het najaar weer leverbaar.
Sebald doet research in de oude haringstad Lowestoft. Eens gold de haring als een schoolvoorbeeld van onuitroeibaarheid van de natuur. Hij vermenigvuldigde zich in ongehoorde aantallen. Hele scholen haring werden op de kusten geworpen. Het meeste bedierf.
De haring is taai, zijn doodstrijd duurt soms wel drie uur. Na een paar dagen begint dode haring licht te geven, te fosforesceren. Er is nog geprobeerd daar kunstlicht uit te maken.
T.M.F.Steen (3)
Ten onrechte valt slordigheid niet onder de zeven hoofdzonden.
Nieuws: er komt een T.M.F.Steen-nummer van Piet Schreuders' onregelmatig verschijnende tijdschrift Furore.
Van: Piet Schreuders
Onderwerp: Steen
Datum: woensdag 14 juni 2006 19:50
Reactie op Avondlog dd 12 en 13-06-2006:
Er stond: "Steen, Zwarteweg 35 B, BUSSUM" (zoals gereproduceerd op pagina 4 van het cd-boekje bij de Mother Magoo Suite).
Steen zit kennelijk in de lucht want in februari besloten Jaco Groot en ik om er toch maar weer eens werk van te maken. Het boek van/over Steen moest er komen en wel als uitgave van Furore i.s.m. De Harmonie. Alleen die inleiding van K. Schippers waar we al 25 jaar op zaten te wachten, waar bleef die?
Vrijdag zal ik het eens aan K. Schippers vragen als ik hem zie in Den Haag. Desnoods gaan we over op een noodplan: ik zet dat boek gewoon in elkaar en dan vragen we of iemand anders er een voorwoord bij schrijft.
Dankzij Maud Keus en het Simplisties Verbond beschik ik sinds een week over een DVD met de documentaire van Hans Keller over Tom Steen, gekopieerd van het oorspronkelijke filmmateriaal (een item in het Gat van Nederland uit 1978). Daar ga ik foto's van maken.
Groeten, Piet
Man
Vandaag flitst de dood van Bert Klunder (49) dwars door mijn teletekst. Bert?
Lange jaren, steeds het vrijwel zelfde telefoongesprek.
'Moesten we niet weer eens.'
'Ja, want het wordt wel weer eens tijd Wim Noordhoek.'
Vreemd, na Tom Steen, over wie ik eergisteren nog schreef, was Bert Klunder de tweede die me altijd bij voor en achternaam aansprak.
In september 1992 begon de vpro-radio op dinsdag om negen uur met de rubriek 'Brigitte Kaandorp is in gesprek'. In de gids stond: assistent Bert Klunder. Brigitte kende ik sinds haar jurk met groene balletjes, Bert was nieuw voor me.
Op de radio hoorde je Brigitte aan een bakker, een verzekeringsagent of een hostess vragen 'waarom leven wij'. Ze vroeg dat in alle oprechtheid omdat ze het zelf niet wist.
Een oprechtheid die ze deelde met Bert, in het theater haar regisseur.
Ernst en humor zijn onscheidbaar. Zijn het zelfde. Van Bert leerde ik dat pas goed. Hij trad regelmatig op in Music-Hall.
De laatste jaren brak hij door.
Bert Klunder legde op de televisie één ding steeds weer uit, namelijk wat een man eigenlijk was. Hij deed dat zonder enige ironie. Toch lachte iedereen. Waarom?
Wat valt er te lachen aan de waarheid?
Daar hadden we het nogeens over moeten hebben.
Over vrouwen wordt gepraat, over mannen zo goed als niet. De man, het bescheiden raadsel van de schepping.
Bert Klunder was een man.
Zeester
Wie nog geen abonnement had op de dagelijkse gedichtenbezorgdienst 'Laurens Jz Coster' zou dat snel moeten overwegen. Het is een vrijwilligersproject. Redacteur: Raymond Noë of een invaller zoekt elke dag een gedicht voor je uit, en de keus is onverwacht.
Vanmorgen lag Achterberg naast mijn koffie.
Ichthyologie
Er is een coelacanth gevonden,
de missing link tussen twee vissen in.
De vinder weende van verwondering.
Onder zijn ogen lag voor 't eerst verbonden
de eeuwen onderbroken schakeling.
En allen die om deze vis heenstonden
voelden zich op dat ogenblik verslonden
door de miljoenen jaren achter hen.
Rangorde tussen mens en hagedis
en van de hagedis diep in de stof,
verder dan onze instrumenten reiken.
Bij dit besef mogen wij doen alsof
de reeks naar boven toe hetzelfde is
en kunnen zo bij God op tafel kijken.
Hield God van vis? Ik dacht het.
Monden van aaibare karpers zag ik, wat school er een behagen in vis.
Daarna dacht ik aan de zeester en het meisje.
Ik stond op een golfbreker aan het Scheveningse strand. En keek omlaag. Een kleine oranjewitte zeester had zich vastgekleefd aan een steen onderin een poel tussen het basalt.
Een meisje (ze was een jaar of zes, haar oudere zusje scharrelde verderop) had in haar emmertje al veel verzameld: een mooi afgesleten stuk baksteen en een grote blauwe alikruik, ze lagen onder water, op een bodempje zand. Een klein aquarium had ze al.
Om ons heen lagen, onder een grijze hemel de zee, de einder, het duin, het uitgestrekte, lege strand.
Ingespannen zat ze in poeltjes te spitten, op zoek naar iets voor haar aquarium. Rossig ponyhaar had ze, ze droeg een grappige fantasiebikini en was heel bleek.
Nu pakte ik de kleine zeester op. Ik voelde de zuignapjes aan m'n vingers.
Ik gaf hem haar: 'pas op, hij leeft'.
En nog eens: 'hij leeft hoor'.
Het duurde even voor het tot haar doordrong.
Eerst liet ze de zeester te water in haar emmertje, hurkte en keek er naar. Daarna stond ze op, keek in de verte naar waar ouders moesten zijn, riep opeens extatisch 'papa' en begon te rennen.
T.M.F.Steen (2)
Tom Steen stierf in 1969. Hij was eind jaren '60 een hooggeschat kenner van al wat nieuwsgierige twintigers wilden weten over het verborgen, diep weggestopte vroeger.
Het is onvoorstelbaar geworden, maar in die jaren was het verleden verder weg dan nu. Muziek, films en strips uit de jaren '20 tot en met '50 leken wel van de aardbodem verdwenen.
Het nieuwe regeerde. Niet alleen op pakken wasmiddel stond de aanprijzing NIEUW! Gisteren was dood en vergeten.
Alleen een doodenkele zonderling verzamelde en bestudeerde in het verborgene. Robert Crumb bijvoorbeeld. En bij ons Tom Steen, die bv. ook Laurel & Hardy voor Nederland 'herontdekte'.
Van Steen kreeg ik als jonge radiomaker oa. de muziek gemaakt bij Schulz' Peanuts en de Mother Magoo Suite. En een plaat met tunes van oude Amerikaanse radio strips als Jack Armstrong (the all American boy), Wonder Woman, The Shadow.
Tom Steen zag resultaat van zijn zendingswerk.
Via alternatieve bladen kwamen klassieke Amerikaanse strips als Krazy Kat, de Katzenjammer Kids of Little Nemo in Slumberland heel langzaam weer boven water.
De laatste keer dat ik hem zag, op de uitgeverij Thomas Rap, had hij een hele doos hasjpijpen bij zich, chillums ook. Hij rookte nogal, dat was aan zijn korte verhaaltjes wel te merken.
Deze doos kwam hij nu plechtig bij de uitgeverij achterlaten. Hij stopte, zei hij, was eraf.
Het laatste dat ik daarna hoorde was dat hij opgenomen was in Santpoort.
T.M.F. Steen (1)
Waar bleef het? Het lang beloofde boek over Tom Steen.
Nog zie ik hem zitten op het kantoor van de uitgeverij van Thomas Rap en Jaco Groot aan de Reguliersdwarsstraat, driehoog boven de kapper. Hij sprak je aan met naam en toenaam. 'Ja Wim Noordhoek, jij moet iets aan die Mother Magoo Suite doen op de radio.'
Het moet in 1968, 1969 geweest zijn. Niet lang daarna stierf hij.
Ik kreeg platen van hem mee, er stond op T.M.F.Steen, Zwarteweg, Bussum. Huisnummer even kwijt want de platen gingen naar Piet Schreuders die er jaren later voor zorgde dat het Metropole Orkest de Mother Magoo Suite van Dennis Farnon uitvoerden. Vergeten muziek bij een tekenfilm over de moeder van het vergeten cartoonkarakter Mister Magoo, wiens bijziendheid zijn enige gimmick was (en de kreet om Waldo, zijn knecht, als hij weer in een put viel).
Tom Steen, in leven corrector bij het Algemeen Handelsblad.
Het is warm, oud papier gaat ruiken.
Steen was een unieke voorloper. Bij veel wat in de jaren '60 en '70- werd opgerakeld aan oude films, strips en lichte muziek was hij betrokken. In Hitweek schreef hij Ultra korte SF-verhaaltjes en introduceerde hij de strip Krazy Kat van George Herriman. Hij werkte mee aan Barbarber, aan het filmblad Skoop en meer nog. Ook buitenslands.
Jaco Groot van de Harmonie zou het Tom Steen-boek uitbrengen.
En, was het niet K.Schippers, redacteur van Barbarber, die
eens toezei het te schrijven?
Hitte, voetbal en vergeeld papier.
Ik heb zelfs geen foto van Tom Steen.
Op Internet bestaat T.M.F. Steen zo goed als niet.
Dat moet veranderen. Wie helpt?
avonden@vpro.nl
Heeft Kafka gevoetbald?
Het lijkt een absurde vraag maar dat is het zeker niet. Ten eerste was Franz Kafka (1883-1923) een modern man. Hij heeft bijvoorbeeld een van de eerste beschrijvingen van vliegtuigen op z'n naam (Aeropläne in Brescia, september 1909) en zelfs de allereerste zeer uitvoerige beschrijving van een auto-ongeluk (in het Bois de Boulogne in Parijs, maandag 11 september 1911).
En bovendien deed hij aan sport, hij was een getraind roeier en zwemmer
Kafka en voetbal? Op de site van de universiteit van Innsbruck staan al z'n teksten. En zie:
Reisdagboek Jungborn:
'8 Juli (1912) Mijn huisje heet "Ruth". Praktisch ingericht. 4 luiken, 4 ramen, 1 deur. Tamelijk stil. Alleen in de verte wordt gevoetbald, de vogels zingen luid, een paar naakte mensen liggen stil voor mijn deur. Iedereen, behalve ik zonder zwembroek. Mooie vrijheid. In het park, de bibliotheek enz. krijgt men aardige vette voetjes te zien."
In juli 1912 was Kafka met vakantie in een 'Inrichting voor natuurgeneeskunde' in Jungborn in de Harz, waar een mengsel van gymnastiek, naaktlopen en rauwkost bedreven werd. Kafka probeerde serieus mee te doen, met een mengsel van respect en ironie. Maar hield toch - als enige - z'n zwembroek aan.
Grappig, er waren daar ook meisjes en hij vond (heel erg 1900) die voetjes leuk.
Kafka deed niet alleen zelf aan sport, hij was ook, als veel joodse intellectuelen in Praag een fan van de joodse club Hakoah Wenen. Als Hakoah verloor, zo blijkt uit brieven, had hij de pest in. Hakoah werd in het seizoen 1924-1925 voetbalkampioen van Oostenrijk.
Of Kafka ooit zelf tegen een bal getrapt heeft?
Waarom niet eigenlijk?
I.M.Alpenkreuzer
Altijd gedacht dat de Alpenkreuzer ergens in Beieren werd gemaakt. Maar in april kwam het bericht dat de firma na 48 jaar failiet is gegaan en gevestigd was in Sliedrecht. De laatste 11 werknemers zijn ontslagen. Er is te weinig vraag meer naar klapcaravans en vouwwagens.
Google 'Alpenkreuzer' , wat je tegenkomt is rouw. Een golf van weemoed.
De Alpenkreuzer heeft ook mijn jeugd getekend. Hij hing achter een Renault Dauphine, die hem amper trekken kon.
Nog ruik ik de geur van schroeiende koppelingsplaat.
Soms moest het gezin (drie kinderen) bij steile hellingen eruit en duwen. Hij was ook veel te zwaar geladen, zijn buik zat vol blikken witte bonen in tomatensaus en ballen gehakt in eigen jus.
Autowegen had je nog nauwelijks, eind jaren '50. Nooit waren de files langer. Traag ging het door de hete centra vol stoplichten van Auxerre, Avallon, Dijon en Valence naar de Mediterranée of over de Brenner naar het Gardameer..
Achteruitrijden, manoeuvreren naar een plekje op de camping, en dan het waterpas neerzetten en uitklappen. Het waren vraagstukken apart waarover veel gesproken is onder de luifels van de voortenten.
Bij het scharen sneuvelde menig achterlichtje.
De permanente paniek waarin zich die gezinsvakanties voltrokken heeft zich in mijn hoofd gehecht aan de Alpenkreuzer.
Maar wat een vernuft. Dat keukentje ook!
Huiskamervraag: komt de Alpenkreuzer voor in de Nederlandse literatuur?
Briefspoken
In februari jl. kreeg ik met dubbele vertraging een ansicht van Anneke Brassinga in Meudon, die in het beton van het Theo van Doesburghuis kou leed bij Parijs. Het schrijven van de ansicht was door omstandigheden vertraagd, schreef A.. Hij werd ook nog eens vertraagd bezorgd.
Ik ontving een bij de post verkreukelde reproductie van Lucas Cranach de Oude's 'Melancolie' (1532), die in Colmar in het Unterdenlinden museum thuishoort.
Terzijde: toen ik daar in april ging kijken was Cranach niet thuis, uitgeleend aan Berlijn, aan een tentoonstelling over 'Melancholie, Genie & Wahnsinn'.
Ik zocht het op. Cranach maakte drie versies van die Melancholie en ze zijn mooi maar onbegrijpelijk. Hoofdzaak is een meisje in een rode jurk dat een punt aan een stok snijdt en de toeschouwer aandachtig aanziet. Om haar heen is het een warboel van symbolen. In de commentaren gaat ook alles overhoop, van de alchemisten tot Luther en Melanchton.
Ik schreef Anneke op 2 maart: 'Je Colmarse Cranach kwam mooi gekreukeld binnen, echte zwerfpost, waar die allemaal geweest is, je moet maar raden, met haar Orchidée papillon-zegel. De broedende stoksnijdster is zo'n mooie veelheid. Meer in waiting kun je niet zijn. Lieve muiltjes, raadselbal en woeste wolk.'
Op 16 maart kwam er brief met toebehoren in een pakje.
'Ook jouw brief maakte een wonderlijke omzwerving en werd onderweg zodanig geschonden (zie bijgaande verpakking) dat het papier een opmerkelijk vlindersilhouet gekregen had en ik veel woorden die waren weggevlogen moest raden.'
De envelop stuurde ze me terug, in een speciaal excuserend omhulsel van La Poste. Er was een hoek afgeknipt (?) waardoor kennelijk van de inzittende brief (die in vieren gevouwen was) de 4 hoeken verdwenen waren.
Waar gaat dit over? Nu weet ik het. Hier zijn de briefspoken van Franz Kafka (uit Briefe an Milena) aan het werk: 'Es ist ja ein Verkehr mit Gespenstern und zwar nicht mit dem Gespenst des Adressaten, sondern auch mit dem eigenen Gespenst, das sich einem unter der Hand in dem Brief, den man schreibt, entwickelt oder gar in einer Folge von Briefen, wo ein Brief den andern erhärtet und sich auf ihn als Zeugen berufen kann. Wie kam man nur auf den Gedanken, dass Menschen durch Briefe miteinander verkehren können!'
El(fje) en Nikki
Deze teksten staan er al een paar jaar. Op het viaduct over de Landscheidingsweg in Den Haag. Die voor Elfje was er het eerst. Die voor Nikki kwam later.
Steeds als ik er onderdoor rijd moet ik me alles weer afvragen. Eerst hoe moeilijk het is om die letters daar te krijgen. Die grote voor El(fje) vooral.
Dan de impuls waaruit dit voorkomt. Is die: hang je liefde aan de grootst mogelijke klok, iedereen moet het weten?
Het 'tell the world'?
En vervolgens, hoe kom je erbij? Van bovenaf? En dan een kwast aan een stok vastmaken? Met een spuitbus lukt dit niet. Of is de schilder er met een vrachtwagen onder gaan stilstaan, midden in de nacht?
Hoe ook, het heilige moeten is in het spel. Plus een gedegen voorbereiding. Van het kopen van verf en kwasten tot het kiezen van een moment waarop je het minste risico loopt betrapt te worden.
Tenslotte de vragen over de meisjes.
Is dit, wat ik denk, waarachtig liefdesbetoon?
Of waren het versierpogingen?
En zo ja, lukten ze?
Wat als Elfje en Nikki niets van de schilders wilden weten?
Dan staat dit er nog jaren, en zullen Elfje en Nikki de Landscheidingsweg mijden tot alles vervaagt.
Stilstand en beweging
Op 30 mei, in de laatste uitzending van Music-Hall vertelde A.L.Snijders hoe hij de opening van de tentoonstelling van Arie Schippers in Zutphen meemaakte (zie dit log van 28 mei, beluister de uitzending, slot tweede uur).
Snijders hoorde in Zutphen de inleiding van Frank Lubbers, hoofdconservator van het Van Abbemuseum. Die zei over de auto's van Schippers 'er zit nooit iemand in en ze rijden nooit'. Hij loofde zelfs een prijs uit voor degene die op een schilderij van Arie Schippers een rijdende auto ontdekte.
Na afloop maakte Snijders aanspraak op de prijs, zeggende: "Boven hangt een schilderij van een auto met een caravan. De titel luidt 'Zondagse proefrit met hut'. Het is een rijdende auto."
Maar hij besloot met de overweging: 'Ik behoor altijd
tot de rekkelijken, ik houd van stijlfiguren, ik weet dat er nooit staat wat er staat, ik weet dat de taal je meesleept, ik weet dat het uitloven van een ongenoemde prijs een stijlfiguur is, om aan te geven dat Arie Schippers nooit rijdende auto's schildert, en toch gebeurt me dit. Even niet opletten en je bent een scherpslijper.'
Hij noemde niet de mails die Arie Schippers hem later stuurde. Die kreeg ik ook, zodat ik eruit kan citeren:
'Xie nooit rijdende auto's en mensen zie ik ook niet ze bewegen te veel, maar paarden en koeien die rondlopen die schilder ik wel, hoor. Ik kan me daar toch op instellen, bedenk ik nu maar ook die hut stond stil. Echter toen ik halverwege het werk was parkeerde er een rode auto met vier oudenvandagen ervoor zodat ik moest vragen of ze op een andere plek wilden gaan staan. Met veel gesteun deden ze dat, maar wel zo dat ik nog steeds geen onbelemmerd uitzicht had.
(...)
Later, een halfuurtje, kwamen de vier bloemkolen terug en reden gelijk weg. Ze waren van iets getuige geweest. Natuurlijk, ik had ook telkens 't idee dat de hut een beetje op en neer ging, maar goed ik had geen tijd om daar bij stil te staan. Maar nu valt alles op zn plaats. Afijn ik maakte af wat ik kon. Maar voor ik zelf wist dat het gebeurd was gingen de achterlichtjes aan en reed 't geval weg. Dus hij stond stil en bewoog toch.'
Aldus Arie Schippers.
Haag
Vandaag was Den Haag, om precies te zijn Duindorp en het Stille Strand.
Dat tegenwoordig Zuiderstrand heet.
Dropjestegels. In Duindorp zijn de stoepen er hier en daar nog mee belegd. Elke dropjestegel is anders. Soms wat paarser dan weer wat wat blauwer. Eens lagen ze overal in het het Statenkwartier..
Maar ze worden nog wel gemaakt. Laatst zag ik er stratenmakers mee bezig.
Duindorp vandaag. Straten met portiekwoningen in oranje.
Twee Haagse hondenuitlaters in luid gesprek over de wedstrijd van gisteren van Jong Oranje.
Behalve aan Willem Brakman, die hier zijn jeugd doorbracht en weet van dropjestegels, denk ik meteen aan Marnix Rueb en Haagse Harry.
Ook al omdat ik dezer dagen eindeloos, mezelf en de wereld vergetend in zijn nieuwe, vierde Harry-album 'Krèg ut zuâh!!' zit te staren.
Zo is een Haagse jeugd nog ergens goed voor.
Harry is in topvorm. Zijn ontmoetingen met Balkenende, Ratelband, Deetman, Alex en Maxima zeer afdoende. Laat de multiculti samenleving ook maar aan hem over.
En bedenk: 'Auk u kèn binne ein uâh Haags lerûh!! (les vieâh: ondâhkaak slap latûh hangûûûh...).
Tussen Reves regels
Kortgeleden stootte VPRO-radioarchivaris Nienke Feis op 23 banden uit 1991. Het bleken de ongeveer 30 uur, die ik zocht. De integrale 'veiligheids-backup' gemaakt tijdens de vijf opnamedagen van het boek De Avonden, gelezen door Gerard Reve. De gemonteerde versie werd tien uur lang uitgezonden op 28 november 1991.
Na de dood van Reve, op 8 april jl. kreeg ik een mail van Mark Meeuwis, de technicus die alles opnam en met de hand de bijna 1000 knippen maakte waarmee Reves spreekfouten zijn verwijderd.
Gerard had me gevraagd om 'als het kan een katholiek jongen die veel van zijn moeder houdt en bij de padvinders is geweest'. Door een wonder lukte dat. Ik vond Mark. Deze citaten uit zijn mail:
'Ziehier een bericht van een katholieke zeeverkenner met dierenogen, blauwe ogen met niets daarachter, een bericht van de jonge radiotechnicus die beslist van zijn moeder houdt.'
(...)
'Ik zal altijd blijven onthouden wat ik deed toen ik het bericht hoorde dat Gerard Reve was overleden. Alle herinneringen komen weer langzaam boven.
Wat me weer te binnen schoot is dat Gerard het wilde doen laten geloven dat wij een week lang in een kelder opgesloten waren geweest, met alleen een klein raam waar af en toe wat eten door werd geschoven.'
(...)
'Ook wilde hij graag met mij (naakt) in een kamer verblijven, hij zou me echt niet aanraken. Dit alles is alweer zo'n vijftien jaar geleden. Maar de termen "het is niet onopgemerkt gebleven", "bessen appel" en "dood, dood, dood", galmen nog regelmatig in ons huis.'
Binnenkort hopen Mark en ik te luisteren naar wat er op die banden staat, in leespauzes, tijdens het eten, na versprekingen en zo meer.
Atlantikwall Museum
Morgen, zondag 4 juni is het misschien een idee naar Hoek van Holland te gaan, naar het Atlantikwall museum dat niet zo vaak, en alleen op zondagen open is. Vanaf elf uur.
Het museum zit in een gasdichte bunker van het type 625B. Er hebben daar zes soldaten gewoond, drie bedden boven elkaar. De collectie vertelt vooral hun leven.
Er is een vitrine met inktpotten. Wat doet een soldaat in een bunker? Vraag het Gerard Reve. Hij schrijft brieven aan zijn moeder, met een kroontjespen, die hij steeds in z'n inktpotje doopt, want de balpen is er nog niet, op Feldpostpapier. Hij plakt er postzegels met hakenkruizen op. Wat doet de soldaat verder?
Hij rookt. Zijn asbakken en pakjes sigaretten liggen er ook.
Anders dan de mensen denken bestaat oorlog vooral uit dreiging.
Oud oorlogstuig? Ik stelde me de Atlantik Wall voor als nieuw.
Zo functioneert dus een hypermoderne oorlogsmachine.
Wanneer breekt de hel los?
Alles wacht op het sein, nog steeds.
Wat overblijft zijn veldtelefoons, handgranaten, roest, bakeliet, papier en tabak.
Sebalds Wertach
In september 2005 was ik in het Duitse Wertach in het Allgaü, de geboorteplaats van W.G.Sebald (1944-2001), voor mij de belangrijkste naoorlogse Duitse schrijver en één van mijn helden.
Sebald ontvluchtte Duitsland en woonde sinds 1970 in Norwich, Engeland. Na een afwezigheid van dertig jaar keerde hij er terug, eind jaren '80. Wanneer precies moet dit najaar een van de aangekondigde biografieën vertellen.
Het is november, Max Sebald neemt zijn intrek in de 'Engelwirt', het Gasthof waar de familie Sebald na de oorlog jaren op kamers woonde, boven aan de voorkant. Hij blijft bijna een maand, tot in december, en noteert wat hem invalt over zijn jeugd hier. Hij heeft een kamer op de eerste verdieping aan de voorkant, precies op de plek waar hij met zijn ouders woonde.
Achter is - nog steeds - het zaaltje. Hier zag hij als kind
zijn eerste films, de Wochenschau, en zelfs toneel, de Raüber van Schiller. Het staat beschreven in 'Schwindel, gefühle', vanaf pag. 193 in de Fischer uitgave. In het Engels heet het boek 'Vertigo'. Een meeslepende rondreis langs de oude vierhoek Wenen, Triëst, Venetië, Salzburg, die eindigt in Wertach.
'Vragen er weleens mensen naar een schrijver?' informeerde ik. 'Dit jaar één keer, een paar Engelsen. Vorig jaar vreemd genoeg binnen één week opeens drie keer. Nee, verder niet.'
Kijkend naar mijn foto's zie ik wat Sebald al vaststelde. De oude boerenherberg is van top tot teen onherkenbaar verbouwd en geworden tot: 'Eine Stätte gepflegter Gastlichkeit' in de 'neudeutsch-alpenländischer Stil'.
Clerkx, Aart
Dit log was nog uit de lucht toen de schilder en striptekenaar Aart Clerkx in april en mei jl. zijn langverwachte expositie hield in de Amsterdamse Galerie Lambiek, onder het motto was 'Hoe oud is Dora?'
Een mirakel hoe de erudiete Clerkx laveert tussen strip en beeldende kunst. Zijn schilderijen zijn veel tegelijk. Hij citeert, parafraseert, pasticheert en commentarieert, met gebruikmaking van heel de strip- en kunsthistorie. Bij hem heeft alles met alles te maken.
In zijn nieuwe strip 'Dit en dat' (uitg. Oog & Blik) blijkt dat ook weer. Stripfiguren beginnen latijn te spreken en een neushoorn buigt zich over de pijp van Magritte.
Postmodernist? Surrealist? Clerkx, voor al uw ismen.
Laatste dialoog, in de zaal bij een onbegrijpelijke toneelvoorstelling:
'Toch ben ik bang dat men het niet zal begrijpen...'.
'Ja zeg - begrijpen is de kunst niet, dus ze moeten maar zien!'